Zoals melk, vers uit de tank bij de boer. Of eieren die je zelf raapt. Bij de bron vandaan is het fijnst. Vind ik dan. Dan wordt je illusies armer. En fijne ervaringen wijzer.
Michel Deschamps maakt mooie wijnen. Een hand krijgen we niet van hem. Te vies, vindt hij zelf. Degustation, dat willen wij. Met een glas in de hand volgen we. Trappetje af, muffe kelder. Flessen, zonder etiket, en vaten. Rouge? Nee, blanc.
Dit is wel geloofwaardig. In zo`n kelder beoordeel je zelfs gistende urine nog als wijn. Hoewel, dat is wel weer heel ordinair voor iets wat bijna heilig is. Je ziet aan Michel gewoon dat hij als geen ander weet wat een druif is. En hoe je daar wijn van maakt. We bluffen een doos van die, en een van die. Geen Grand Cru`s, maar wel 2001. Oja, en een doosje 2008. Want dat jaar beviel ook wel.
Na mijn tweede keer Bourgogne heb ik het vermoeden dat een derde keer zal volgen. Monthelie, Meursault en Saint Romain. Er kriebelt geloof ik wat in m`n wijnrek bij dat soort namen.
Regendruppels op de witte rozen zijn de enige glans van Koninginnedag. Bij de onheilsplek van vorig jaar althans. Getik op paraplu`s, zelfs mensen die druilerig lopen. Voor zover dat kan. Ze staren naar het kruispunt, en zien weer wat ze zagen. Eigenlijk de sfeer van de dag ervoor. De herdenking, met witte balonnen en veel rozen. Tranen. En mooie muziek
Fietsen. Kilometers en veel. 24.000 wielen. Minstens zoveel bidons. Gezoef in de lentelucht. Pissen op paardebloemen. De Amstel Gold Race in Limburg. Ik zou het bier bijna vergeten. Supporter, dat was ik. Niks fietsen, maar bevoorraden. Zoekplaatje: vind m`n broer de held.
Ooit werden er netten gemaakt. Visnetten. En het zou eigenlijk gesloopt worden. Maar gelukkig staat de Nettenfabriek nog in Apeldoorn. Wat een grandioos gebouw. Nou ja, vooral vergane glorie. Maar in combinatie met een model een prachtplaats.
Of ik haar zoontje had. Laatst stond er ineens een mevrouw voor mijn deur. In klusoutfit deed ik de deur open. Het kon haar niet ontgaan zijn dat er geklust werd. Tenminste, ik meende nog steeds vanaf de straat te zien dat mijn huis onbewoond was. Maar blijkbaar dacht ze er iets anders over.
“Is mijn zoontje hier aan het spelen?” Ik hoefde niet eens de moeite te nemen om rond te kijken. Natuurlijk was er geen zoontje aan het spelen. “Hij is toch echt ergens in deze huizen.” Ik verbaasde me nogal. Ik geloof dat ik wel zou onthouden waar mijn zoontje was als ik een zoontje had. Maar deze mevrouw blijkbaar niet.
Ik twijfelde nog even of ik de dame in de maling zou nemen. Gewoon iets heel flauws of gemeens zeggen. Maar aangezien haar ogen iets paniekerig begonnen te draaien hield ik me maar in. “Bij wie is uw zoontje dan?” Hij bleek bij vriendje Bram te zijn. Ik ken nog weinig kinderen in mijn buurt, überhaupt nog weinig mensen in de straat, maar Bram kende ik al wel. Twee deuren verderop. “Nou, dan ga ik het daar maar proberen…”